In juli 2009 is de gehele website Engelstalig geworden. Daarom maakt deze pagina geen deel meer uit van de navigatiestructuur.
Voorlopig blijft de pagina wel bereikbaar via zoekmachines en de IPIS website.
Het derde interview op Geopolitiek.nl is met Steven Spittaels van de International Peace Information Service. Dit interview, waarin de heer Spittaels zijn geopolitieke veldonderzoek in Afrika toelicht, bestaat uit de volgende delen:
De volgende paragraaf is van de hand van Yves Lacoste. Het is eerder een beschrijving dan een definitie maar wel duidelijk en volledig:
De cartografische analysemethode zoals wij die gebruiken heeft niet tot doel een conflictsituatie in zijn geheel te bespreken. Het is een specifiek onderzoek naar de drijfveren van de strijdende partijen. Zoals de naam reeds aangeeft, baseren we ons bij een cartografische conflictanalyse naast het klassieke bronnenmateriaal ook op geografische kaarten om onze besluiten te trekken. In de praktijk wil dit zeggen dat we twee verzamelingen van kaarten samenstellen. Een eerste verzameling geeft de aanwezigheid weer van gewapende groepen in de oorlogszone. Op een tweede reeks trachten we zoveel mogelijk geografische elementen te identificeren die hen tot een gewapende strijd kunnen motiveren. Uit de vergelijking van deze twee verzamelingen van kaarten halen we bepaalde relaties naar voren die we, aangevuld met ander bronnenmateriaal, diepgaand bespreken in een begeleidend schriftelijk rapport.
In onze rapporten verwijzen wij dus niet enkel naar interviews die we afgenomen hebben of teksten die we geconsulteerd hebben, maar ook naar de situatie op het terrein. Bovendien kan de lezer op onze kaarten de gegevens controleren waarop wij onze redenering baseren. Wanneer wij bijvoorbeeld claimen dat een bepaalde rebellenleider vooral geïnteresseerd is in het plunderen van een bepaalde bodemrijkdom, kunnen wij dat staven met cartografisch bewijsmateriaal.
In principe kan elk territoriaal conflict met onze methode onderzocht worden. Enkel conflicten die ruimtelijk moeilijk af te bakenen vallen, zoals de strijd van Al Qaeda, kan men niet met kaarten analyseren.
Na de twee Congolese studies volgen in elk geval nog twee rapporten over andere conflictgebieden. Of we uiteindelijk meer dan 4 analyses zullen afwerken is afhankelijk van de weerklank die onze methode in de komende twee jaar zal krijgen.
De geografische focus van International Peace Information Service (IPIS) ligt op Sub-Sahara Afrika en dus denken we voor de volgende twee studies vooral aan landen als Soedan, Tsjaad, Nigeria, Ivoorkust en de Centraal-Afrikaanse Republiek. Voor mij persoonlijk zou het ook interessant zijn de methode verder uit te testen op oorlogsgebieden buiten deze regio. Sri Lanka en Colombia zijn bijvoorbeeld twee conflictengebieden waar het geweld al erg lang aansleept en die met onze methode succesvol onderzocht zouden kunnen worden. Willen we de methode universeel toepasbaar maken is het trouwens noodzakelijk dat we ook lessen trekken uit gewapende conflicten buiten het Afrikaanse continent.
Eigenlijk is er maar één grote: Welke zijn de voornaamste drijfveren van gewapende groepen in een conflictgebied? Uiteraard volgt op deze vraag logischerwijs de vraag hoe we die drijfveren kunnen wegnemen. Ook op die vraag trachten we een antwoord te formuleren in onze rapporten.
Een algemeen besluit formuleren staat eigenlijk haaks op de filosofie van onze cartografische methode, maar als ik de conclusies van onze Katanga studie moet samenvatten, viel het ons op dat het veel moeilijker was om de aanwezigheid en het gedrag van het ‘reguliere’ leger te verklaren dan dat van de resterende groepjes rebellen. In het algemeen kan men stellen dat de overblijfselen van de volksmilities in Katanga vooral op zoek zijn naar een manier om te overleven, terwijl de soldaten van het Congolese leger zo lang mogelijk op post trachten te blijven in die regio’s waar ze een graantje kunnen meepikken van de opbrengsten uit de mijnen.
Voor de resultaten van ons tweede onderzoek is het nog een beetje te vroeg.
Het woord conflictpreventie wordt naar mijn mening vaak verkeerd gebruikt. Met conflictpreventie zoals ik het woord begrijp, het voorkomen van een oorlog, heeft ons onderzoek niets te maken. Wij baseren onze analyses op oorlogsdaden en gebeurtenissen op het terrein, wanneer de fase van eventuele preventie m.a.w. reeds lang voorbij is. Onze resultaten kunnen beleidsmakers echter wel helpen bij het vinden van oplossingen voor een gewapend conflict omdat ze voor elke afzonderlijke groep aantonen waarom ze naar de wapens grijpen. Daarom is onze methode een nuttig instrument bij conflicthantering. Door de juiste conflicthantering kan men wel voorkomen dat de situatie verder escaleert en in dat opzicht heeft ons onderzoek dan weer wel een preventief nut.
Voor de eerste DRC studie in Katanga liepen de methodologische en de praktische voorbereiding gedeeltelijk samen. De totale voorbereiding heeft ons 7 maanden gekost. Voor de tweede studie in de Kivu streek volstond de helft van die tijd. De methodologie stond toen al een stuk verder en we wisten toen ook al beter hoe we een dergelijk onderzoek praktisch moesten aanpakken.
Binnen IPIS werk ik samen met mijn collega Filip full time aan het cartografische onderzoek. De rest van de ploeg komt onrechtstreeks tussen via advies en ondersteuning. In België en de DRC samen hebben we zelf meer dan 100 mensen geïnterviewd. Onze contactenlijst voor het tweede cartografische onderzoek telt meer dan 250 namen van interessante personen. Binnen het beschikbare tijdsbestek is het echter onmogelijk om hen allemaal te spreken. We besteden ook een gedeelte van het veldonderzoek uit aan onderzoekers van locale organisaties. Via hun bevragingen komen daar dus nog enkele tientallen betrokkenen bij.
In theorie natuurlijk wel, want je vertrekt naar een oorlogsgebied in een land waar de rechtstaat soms volledig afwezig is. In de praktijk, na er in totaal 11 weken verbleven te hebben, ben ik echter nooit echt in de problemen gekomen. Ik heb me er ook nauwelijks onveilig gevoeld, niet in de steden, noch in de dorpjes. Het is cynisch, maar voor een blanke, die een beetje oppast wat hij doet, is de DR Congo een veilige plek.
We hebben na de koude oorlog een aantal opmerkelijke veranderingen meegemaakt in de manier van oorlogsvoering (Cfr. De literatuur van de ‘nieuwe oorlogen’). Niemand kon toen voorspellen hoe snel de enorme impact van deze evolutie voelbaar zou zijn. Dat de aard van interne conflicten de komende decennia opnieuw zal veranderen is quasi zeker. Er zijn een aantal globale trends die een belangrijke invloed kunnen uitoefenen. De vraag is alleen hoe:
Het zijn maar enkele van de relevante vragen die we ons kunnen stellen.